BETA Versie: We doen ons uiterste best om deze site foutloos te houden, maar er kan een foutje in sluipen. Zie je iets? Laat het ons weten in een reactie onderaan de pagina. Alvast bedankt!

De 4 naamvallen – Duits

De eerste naamval gebruik je voor het onderwerp van de zin. Het onderwerp voert de handeling uit.

Vind het onderwerp met de vraag: wie of wat + gezegde?

MannelijkVrouwelijkOnzijdigMeervoud
Der-groepderdiedasdie
Ein-groepeineineeinkeine

Voorbeelden

  • Der Mann lacht. (mannelijk)
  • Die Frau arbeitet. (vrouwelijk)
  • Das Kind spielt. (onzijdig)
  • Die Kinder schlafen. (meervoud)

In alle voorbeelden is het dikgedrukte woord het onderwerp.

Koppelwerkwoorden

Na koppelwerkwoorden sein, werden en bleiben gebruik je de 1e naamval.

Voorbeelden

  • Peter ist der Lehrer.
  • Anna wird eine Ärztin.
  • Er bleibt mein Freund.

De tweede naamval gebruik je om bezit of een relatie aan te geven. In het Nederlands kun je vaak van gebruiken.

Vraag: Van wie is iets?

MannelijkVrouwelijkOnzijdigMeervoud
Der-groepdes + -(e)sderdes + -(e)sder
Ein-groepeines + -(e)seinereines + -(e)skeiner

Voorbeelden

  • Das Auto meines Vaters.
  • Das Haus meiner Eltern.
  • Die Farbe des Himmels.

Let op: vaak komt er -(e)s achter het zelfstandig naamwoord

Bij mannelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden krijgt het woord in de Genitiv meestal een extra -s of -es.

  • der Mann → des Mannes
  • der Hund → des Hundes
  • das Kind → des Kindes
  • das Auto → des Autos
  • der Computer → des Computers

Goed om te weten

In het moderne Duits wordt de tweede naamval minder vaak gebruikt dan vroeger. In spreektaal wordt bezit vaak uitgedrukt met von + Dativ.

Bijvoorbeeld:

  • Das Auto von meinem Vater.

Toch kom je de tweede naamval nog vaak tegen in boeken, kranten en examens.


De tweede naamval gebruik je voor het meewerkend voorwerp. Kun je voor een zinsdeel aan of voor voor zetten? Dan is het meestal de 3e naamval.

Vraag: Aan of voor wie gebeurt iets?

MannelijkVrouwelijkOnzijdigMeervoud
Der-groepdemderdemden + -(e)n
Ein-groepeinemeinereinemkeinen + -(e)n

Voorbeelden

  • Ich gebe meiner Schwester ein Geschenk.
  • Er hilft seinem Freund.
  • Wir danken unserem Lehrer.

In deze zinnen ontvangt iemand iets of wordt er iets voor iemand gedaan.

Let op: meervoud krijgt vaak een extra -n

In de Dativ krijgt een meervoud meestal een extra -n aan het zelfstandig naamwoord.

Voorbeelden

  • die Kinder → den Kindern
  • die Freunde → den Freunden
  • die Bücher → den Büchern

Uitzondering

Eindigt het meervoud al op -n of -s, dan komt er geen extra -n bij.

  • die Frauen → den Frauen
  • die Autos → den Autos
  • die Eltern → den Eltern

Werkwoorden met een vaste Dativ

Sommige werkwoorden hebben altijd een Dativ (derde naamval), ook al kun je geen “aan” of “voor” bedenken.

Deze werkwoorden moet je uit je hoofd leren:

  • begegnen
  • danken
  • gefallen
  • gelingen
  • gehören
  • glauben
  • gratulieren
  • helfen
  • folgen
  • trauen

Voorbeelden

  • Ich helfe dir.
  • Wir danken ihm.
  • Sie gefällt mir.
  • Ich glaube dir.

De Akkusativ gebruik je voor het lijdend voorwerp.

Het lijdend voorwerp is degene of datgene waar de handeling op gericht is.

Vraag: Wie/wat + gezegde + onderwerp?

MannelijkVrouwelijkOnzijdigMeervoud
Der-groepdendiedasdie
Ein-groepeineneineeinkeine

Voorbeelden

  • Ich sehe den Mann.
  • Sie liest das Buch.
  • Wir kaufen die Blumen.

Voorzetsels met de tweede naamval

Je gebruikt standaard de tweede naamval, als je één van de volgende voorzetsels voor een zelfstandig naamwoord ziet staan.

  • anhand
  • einschließlich
  • innerhalb
  • außerhalb
  • statt
  • trotz
  • während
  • wegen

Voorzetsels met de derde naamval

Je gebruikt standaard de derde naamval, als je één van de volgende voorzetsels voor een zelfstandig naamwoord ziet staan.

  • außer
  • aus
  • bei
  • entgegen
  • gegenüber
  • mit
  • nach
  • seit
  • von
  • zu

Voorzetsels met de vierde naamval

Je gebruikt standaard de vierde naamval, als je één van de volgende voorzetsels voor een zelfstandig naamwoord ziet staan.

  • bis
  • durch
  • entlang
  • für
  • gegen
  • ohne
  • um

Voorzetsels met de derde of vierde naamval

Sommige voorzetsels kunnen zowel met de 3e naamval als met de 4e naamval gebruikt worden. Deze voorzetsels noemen we keuzevoorzetsels.

  • an
  • auf
  • hinter
  • in
  • neben
  • unter
  • über
  • vor
  • zwischen

Om te bepalen of je de 3e of 4e naamval gebruikt bij een keuzevoorzetsel, kijk je of er sprake is van beweging in de zin.

  • Is er beweging? Dan gebruik je de 4e naamval.
    • Ich gehe in die Schule. (ik ga de school in)
    • Er legt das Buch auf den Tisch. (hij legt het boek op de tafel)
    • Wir setzen uns auf den Stuhl. (we gaan op de stoel zitten)

  • Is er geen beweging en gaat het om een vaste plaats? Dan gebruik je de 3e naamval.
    • Ich bin in der Schule. (ik ben op school)
    • Das Buch liegt auf dem Tisch. (het boek ligt op tafel)
    • Wir sitzen auf dem Stuhl. (we zitten op de stoel)

Der-groep

NaamvalMannelijkVrouwelijkOnzijdigMeervoud
1e naamvalderdiedasdie
2e naamvaldes + -(e)sderdes + -(e)sder
3e naamvaldemderdemden + -n
4e naamvaldendiedasdie

Ein-groep

NaamvalMannelijkVrouwelijkOnzijdigMeervoud
1e naamvaleineineeinkeine
2e naamvaleines + -(e)seinereines + -(e)skeiner
3e naamvaleinemeinereinemkeinen + -n
4e naamvaleineneineeinkeine