De imparfait en de passé composé worden gebruikt om over het verleden te praten, maar ze hebben een heel andere functie. In dit artikel leggen we het verschil uit en kun je vervolgens oefeningen maken.
Wanneer gebruik je de Passé Composé?
De passé composé gebruik je voor acties die afgelopen, eenmalig of specifiek zijn:
- Een afgeronde actie op een specifiek moment
- Voorbeeld: Hier soir, j’ai regardé un film. (Gisteravond heb ik een film gekeken.)
- Een actie die eenmalig plaatsvond
- Voorbeeld: L’été dernier, nous sommes allés en Italie. (Afgelopen zomer zijn we naar Italië gegaan.)
- Een reeks gebeurtenissen achter elkaar (opeenvolging)
- Voorbeeld: Je suis rentré, j’ai mangé et je suis allé au lit. (Ik kwam thuis, ik at en ik ging naar bed.)
- Een actie die een bestaande toestand onderbreekt
- Voorbeeld: Je dormais quand le téléphone a sonné. (Ik sliep toen de telefoon ging.)
Klik hier om te leren hoe je de passé composé maakt.
Wanneer gebruik je de Imparfait?
De imparfait gebruik je voor beschrijvingen, gewoontes en toestanden in het verleden zonder duidelijk begin of einde:
- Beschrijvingen van personen, situaties, weer of omgeving
- Voorbeeld: Le ciel était bleu et il faisait chaud. (De lucht was blauw en het was warm.)
- Gewoontes en herhaalde acties in het verleden (vroeger altijd…)
- Voorbeeld: Quand j’étais petit, je jouais souvent au football. (Toen ik klein was, speelde ik vaak voetbal.)
- Handelingen die tegelijkertijd bezig waren
- Voorbeeld: Pendant que ma sœur cuisinait, je lisais un livre. (Terwijl mijn zus kookte, las ik een boek.)
- Een langdurige situatie / achtergrond van een verhaal
- Voorbeeld: Ils habitaient dans une grande maison au bord du lac. (Zij woonden in een groot huis aan het meer.)
Klik hier om te leren hoe je de imparfait maakt.
Signaalwoorden
Deze signaalwoorden kunnen helpen bij het kiezen van de juiste tijd:
| Passé Composé | Imparfait |
| soudain (plotseling) | tous les jours (elke dag) |
| tout à coup (ineens) | chaque fois (elke keer) |
| à ce moment-là (op dat moment) | toujours (altijd) |
| en 2008 (in 2008) | ne… jamais (nooit) |
| hier (gisteren) | souvent (vaak) |
| l’année dernière (vorig jaar) | d’habitude (gewoonlijk / meestal) |
| ensuite (vervolgens) | quelquefois (soms) |
| puis (daarna) | |
| après (daarna / na) | |
| alors (toen / toen pas) |
Oefeningen
Vul de passé composé of imparfait in