Wanneer gebruik je de Imparfait?
De imparfait gebruik je om te beschrijven hoe het vroeger was of wat er regelmatig gebeurde. Denk aan de volgende situaties:
- Een situatie, achtergrond of beschrijving in het verleden
- Voorbeeld: Il faisait beau et les oiseaux chantaient. (Het was mooi weer en de vogels zongen.)
- Beschrijving van een persoon, eigenschap of toestand
- Voorbeeld: Sophie était très timide quand elle avait dix ans. (Sophie was erg verlegen toen ze tien jaar was.)
- Herhaalde acties of gewoontes (iets wat je vaker deed)
- Voorbeeld: Chaque été, nous avions des vacances à la mer. (Elke zomer hadden we vakantie aan zee.)
- Acties die tegelijkertijd plaatsvonden
- Voorbeeld: Pendant que Marc lisait, Julie écoutait de la musique. (Terwijl Marc las, luisterde Julie naar muziek.)
- Acties waarvan de duur of het begin/einde niet belangrijk is
- Voorbeeld: Ils habitaient à Paris pendant cinq ans. (Zij woonden vijf jaar in Parijs.)
Hoe maak je de Imparfait? (De Regel)
De vorming van de imparfait is gelukkig heel regelmatig!
Stap 1. Neem de stam van de nous-vorm van het werkwoord in de tegenwoordige tijd (présent).
Voorbeelden:
- parler -> nous parlons -> stam = parl-
- finir -> nous finissons -> stam = finiss-
- vendre -> nous vendons -> stam = vend-
Stap 2: Plak de vaste uitgangen achter de stam:
| Persoon | Uitgang | Voorbeeld (parler) | Voorbeeld (finir) |
| Je / J’ | -ais | je parlais | je finissais |
| Tu | -ais | tu parlais | tu finissais |
| Il / Elle / On | -ait | il parlait | il finissait |
| Nous | -ions | nous parlions | nous finissions |
| Vous | -iez | vous parliez | vous finissiez |
| Ils / Elles | -aient | ils parlaient | ils finissaient |
Être
Bijna alle werkwoorden volgen de hoofdregel. Er is maar één uitzondering op de stam: het werkwoord être (zijn).
De stam van être wordt ét-, maar de uitgangen blijven precies hetzelfde!
- j’étais
- tu étais
- il / elle / on était
- nous étions
- vous étiez
- ils / elles étaient
Avoir (hebben) is wél regelmatig:
nous avons -> stam = av- -> j’avais, tu avais, il avait…
Uitzonderingen
Sommige werkwoorden krijgen een kleine aanpassing voor de uitspraak:
- Werkwoorden op
-cer(bijv. commencer): krijgen bij de meeste personen een ç om de ‘s’-klank te behouden (behalve bij nous en vous).- je commençais, maar nous commencions.
- Werkwoorden op
-ger(bijv. voyager): krijgen een extra e (behalve bij nous en vous).- tu voyageais, maar vous voyagiez.
- Onpersoonlijke werkwoorden:
- pleuvoir (regenen) -> il pleuvait (het regende)
- falloir (moeten) -> il fallait (het moest)
Ontkennende zinnen (ne … pas)
Net als in de gewone tegenwoordige tijd zet je ne (of n') en pas (of jamais, rien) om de imparfait-vorm heen.
- Thomas aimait le chocolat. -> Thomas n’aimait pas le chocolat.
- Nous prenions le bus. -> Nous ne prenions jamais le bus.
Uitzondering: wederkerende werkwoorden (se…):
Bij werkwoorden zoals se laver of se souvenir komt het voornaamwoord binnen de ontkenning te staan:
- Je ne me souvenais pas de son nom. (Ik herinnerde me zijn naam niet.)
Oefeningen
Vul de imparfait in