Wanneer gebruik je de futur proche?
Je gebruikt de futur proche in de volgende situaties:
- Iets gaat op korte termijn gebeuren (nabije toekomst):
- Je vais manger un pomme. (Ik ga zo een appel eten.)
- Iets staat al vast of is een concreet plan:
- Cet été, nous allons voyager en France. (Deze zomer gaan we naar Frankrijk reizen.)
Hoe vorm je de futur proche?
Om de futur proche te vormen gebruik je de stam van het werkwoord aller (gaan) in de Présent met daarachter het hele werkwoord.
Futur proche = vorm van Aller in de Présent + heel werkwoord
Het enige wat je hoeft te kennen, is de vervoeging van aller (gaan):
| Onderwerp | Aller |
| je | vais |
| tu | vas |
| il / elle | va |
| nous | allons |
| vous | allez |
| ils / elles | vont |
Voorbeelden
- Je vais parler avec le professeur.
- Vorm van aller: vais
- Heel werkwoord: parler
- Betekenis: Ik ga met de docent praten.
- Il va vendre son vélo.
- Vorm van aller: va
- Heel werkwoord: vendre
- Betekenis: Hij gaat zijn fiets verkopen.
Ontkennende zinnen futur proche (Ne … pas)
De ontkenning komt om de vervoegde vorm van aller te staan, niet om het hele werkwoord:
- Je ne vais pas manger. (Ik ga niet eten.)