BETA Versie: We doen ons uiterste best om deze site foutloos te houden, maar er kan een foutje in sluipen. Zie je iets? Laat het ons weten in een reactie onderaan de pagina. Alvast bedankt!

Futur proche & futur simple – Uitleg & Oefeningen

Futur proche

Je gebruikt de futur proche in de volgende situaties:

  1. Iets gaat op korte termijn gebeuren (nabije toekomst):
    • Je vais manger un pomme. (Ik ga zo een appel eten.)
  2. Iets staat al vast of is een concreet plan:
    • Cet été, nous allons voyager en France. (Deze zomer gaan we naar Frankrijk reizen.)

Om de futur proche te vormen gebruik je de stam van het werkwoord aller (gaan) in de Présent met daarachter het hele werkwoord.

Futur proche = vorm van Aller in de Présent + heel werkwoord

Het enige wat je hoeft te kennen, is de vervoeging van aller (gaan):

OnderwerpAller
jevais
tuvas
il / elleva
nousallons
vousallez
ils / ellesvont

Voorbeelden

  1. Je vais parler avec le professeur.
    • Vorm van aller: vais
    • Heel werkwoord: parler
    • Betekenis: Ik ga met de docent praten.
  2. Il va vendre son vélo.
    • Vorm van aller: va
    • Heel werkwoord: vendre
    • Betekenis: Hij gaat zijn fiets verkopen.

De ontkenning komt om de vervoegde vorm van aller te staan, niet om het hele werkwoord:

  • Je ne vais pas manger. (Ik ga niet eten.)

Futur simple

Je gebruikt de futur simple in de volgende situaties:

  1. Gebeurtenissen verder in de toekomst (geen directe planning):
    • Plus tard, je serai médecin. (Later zal ik dokter zijn.)
  2. Voorspellingen of verwachtingen:
    • En 2050, les voitures voleront. (In 2050 zullen auto’s vliegen.)
  3. Beloftes of voornemens:
    • Je t’aiderai demain, c’est promis. (Ik zal je morgen helpen, dat beloof ik.)
  4. Formele berichten, nieuws of weerberichten:
    • Demain, il fera beau sur tout le pays. (Morgen zal het mooi weer zijn in het hele land.)
Vorm-er werkwoord (aimer)-ir werkwoord (finir)-re werkwoord (vendre)
je / j’j’aimeraije finiraije vendrai
tutu aimerastu finirastu vendras
il / elle / onil aimerail finirail vendra
nousnous aimeronsnous finironsnous vendrons
vousvous aimerezvous finirezvous vendrez
ils / ellesils aimerontils finirontils vendront

Uitzonderingen: Avoir & Être

De twee belangrijkste hulpwerkwoorden krijgen een eigen stam in de Futur Simple, maar ze gebruiken wel gewoon de bekende uitgangen:

  • Avoir (hebben) -> stam: aur- (j’aurai, tu auras, il aura…)
  • Être (zijn) -> stam: ser- (je serai, tu seras, il sera…)
VormAvoir (hebben)Être (zijn)
je / j’j’auraije serai
tutu aurastu seras
il / elle / onil aurail sera
nousnous auronsnous serons
vousvous aurezvous serez
ils / ellesils aurontils seront

Spellingsregels futur simple

Sommige werkwoorden ondergaan een kleine klank- of spelligsverandering in de stam voordat je de uitgang erachter plakt:

  1. Spellingwijzigingen in de stam:
    • Stomme e wordt è: Werkwoorden met een stomme ‘e’ in de laatste lettergreep krijgen een accent grave op de stam.
      • Voorbeeld:
        • peser -> je pèserai
        • modeler -> je modèlerai
    • Dubbele medeklinker (-eler / -eter): Bij werkwoorden zoals jeter of appeler wordt de medeklinker verdubbeld.
      • Voorbeeld:
        • jeter -> je jetterai |
        • appeler -> j’appellerai
    • Y wordt I (-yer): Werkwoorden op -yer veranderen de y in een i. Bij werkwoorden op -ayer mag je kiezen tussen een y of een i.
      • Voorbeeld:
        • employer -> j’emploierai
      • Let op: uitzonderingen hierop zijn envoyer -> j’enverrai en renvoyer -> je renverrai)
  2. Werkwoorden met een ‘dubbele r’ (wegvallende ‘i’): Bij werkwoorden zoals courir (rennen) en mourir (sterven) valt de i uit de uitgang weg, waardoor je een dubbele r krijgt.
    • Voorbeeld:
      • courir -> je courrai
      • mourir -> je mourrai
  3. Onregelmatige stammen (-oir & bekende werkwoorden): Werkwoorden die eindigen op -oir (zoals pouvoir, vouloir, devoir) en enkele veelgebruikte werkwoorden zoals aller, faire en venir hebben een afwijkende stam.
    • Voorbeeld:
      • pouvoir -> je pourrai
      • faire -> je ferai
      • venir -> je viendrai

Ontkennende zinnen futur simple (Ne … pas)

In een ontkennende zin staan de twee delen van de ontkenning (ne en pas, ne en jamais, etc.) simpelweg om het vervoegde werkwoord heen.

  • Bevestigend: Je ferai mes devoirs. (Ik zal mijn huiswerk maken.)
  • Ontkennend: Je ne ferai pas mes devoirs. (Ik zal mijn huiswerk niet maken.)

Geef een reactie