BETA Versie: We doen ons uiterste best om deze site foutloos te houden, maar er kan een foutje in sluipen. Zie je iets? Laat het ons weten in een reactie onderaan de pagina. Alvast bedankt!

Present Perfect

De present perfect gebruik je om een verbinding te leggen tussen het verleden en het heden. De vorm is:

have/has + past participle (voltooid deelwoord)

Voorbeelden van past participles: worked, lived, eaten, gone, seen, written.

Gebruik de present perfect wanneer iets in het verleden is gestart en nog steeds doorgaat.

Voorbeelden:

  • I have lived in Amsterdam since 2000.
  • He has worked here for two years.

Signaalwoorden: for, since.

Je vertelt dat je iets ooit hebt meegemaakt, zonder te zeggen wanneer. Het tijdstip is niet belangrijk.

Voorbeelden:

  • I have played the piano ever since I was 10 years old.
  • I have read this book before.

Signaalwoorden: ever, never, before.

De gebeurtenis is voorbij, maar het effect is nog merkbaar.

Voorbeeld:

  • She can’t get into her car. She has lost her keys.

Hier is het resultaat nú belangrijk: ze is haar sleutels kwijt.

De periode loopt nog; daarom gebruik je de present perfect.

Voorbeelden:

  • I have been to the store once this month. (De maand is nog bezig.)
  • I haven’t eaten today. (De dag is nog bezig.)

Let op: zodra de periode is afgelopen, gebruik je past simple.

Bij gebeurtenissen die net hebben plaatsgevonden. Vaak kun je ook de past simple gebruiken, maar de present perfect benadrukt dat het recent is.

Belangrijke signaalwoorden:

  • just
  • already
  • recently
  • yet (in vragen en ontkennende zinnen)

Voorbeelden:

  • She has just arrived.
  • I have already finished my homework.
  • Have you eaten yet?

Deze woorden komen vaak voor bij de present perfect:

  • already
  • just
  • yet (in ontkenningen en vragen)
  • ever / never
  • for (duur)
  • since (beginpunt)
  • recently / lately

have/has + past participle

  • I have seen it.
  • She has finished her homework.

have/has + not + past participle

  • I have not (haven’t) seen it.
  • She has not (hasn’t) finished her homework.

Have/has + onderwerp + past participle

  • Have you seen it?
  • Has he finished his homework?

Bevestigende zinnen

Ontkennende zinnen

Vragende zinnen

Geef een reactie