De present perfect gebruik je om een verbinding te leggen tussen het verleden en het heden. De vorm is:
have/has + past participle (voltooid deelwoord)
Voorbeelden van past participles: worked, lived, eaten, gone, seen, written.
Wanneer gebruik je de present perfect?
1. Een handeling begon in het verleden en is nu nog bezig
Gebruik de present perfect wanneer iets in het verleden is gestart en nog steeds doorgaat.
Voorbeelden:
- I have lived in Amsterdam since 2000.
- He has worked here for two years.
Signaalwoorden: for, since.
2. Een ervaring tot nu toe
Je vertelt dat je iets ooit hebt meegemaakt, zonder te zeggen wanneer. Het tijdstip is niet belangrijk.
Voorbeelden:
- I have played the piano ever since I was 10 years old.
- I have read this book before.
Signaalwoorden: ever, never, before.
3. Een handeling vond in het verleden plaats, maar is nu nog relevant
De gebeurtenis is voorbij, maar het effect is nog merkbaar.
Voorbeeld:
- She can’t get into her car. She has lost her keys.
Hier is het resultaat nú belangrijk: ze is haar sleutels kwijt.
4. Een handeling gebeurde in een periode die nog niet voorbij is
De periode loopt nog; daarom gebruik je de present perfect.
Voorbeelden:
- I have been to the store once this month. (De maand is nog bezig.)
- I haven’t eaten today. (De dag is nog bezig.)
Let op: zodra de periode is afgelopen, gebruik je past simple.
5. Iets is heel recent gebeurd
Bij gebeurtenissen die net hebben plaatsgevonden. Vaak kun je ook de past simple gebruiken, maar de present perfect benadrukt dat het recent is.
Belangrijke signaalwoorden:
- just
- already
- recently
- yet (in vragen en ontkennende zinnen)
Voorbeelden:
- She has just arrived.
- I have already finished my homework.
- Have you eaten yet?
Signaalwoorden van de present perfect
Deze woorden komen vaak voor bij de present perfect:
- already
- just
- yet (in ontkenningen en vragen)
- ever / never
- for (duur)
- since (beginpunt)
- recently / lately
Vorming
1. Bevestigend
have/has + past participle
- I have seen it.
- She has finished her homework.
2. Ontkennend
have/has + not + past participle
- I have not (haven’t) seen it.
- She has not (hasn’t) finished her homework.
3. Vragend
Have/has + onderwerp + past participle
- Have you seen it?
- Has he finished his homework?
Oefeningen
Bevestigende zinnen
Ontkennende zinnen
Vragende zinnen