BETA Versie: We doen ons uiterste best om deze site foutloos te houden, maar er kan een foutje in sluipen. Zie je iets? Laat het ons weten in een reactie onderaan de pagina. Alvast bedankt!

Past Perfect

De past perfect gebruik je om aan te geven dat iets eerder gebeurde dan een ander moment in het verleden. Je hebt dus twee momenten in het verleden:

  • het eerste moment → past perfect
  • het tweede momentpast simple

Het maakt niet uit welke van de twee gebeurtenissen je eerst noemt, omdat de Past Perfect altijd duidelijk aangeeft welke gebeurtenis het vroegst plaatsvond.

had + past participle (=voltooid deelwoord)

Voorbeelden:

  • She had cleaned the kitchen when her parents arrived.
  • We had watched the movie before we went to bed.

had not / hadn’t + past participle (=voltooid deelwoord)

Voorbeelden:

  • I had not finished my homework when the bell rang.
  • She hadn’t seen the email before the meeting.

Had + subject + past participle (=voltooid deelwoord) + ?

Voorbeelden:

  • Had you finished before they arrived?
  • Had she seen him before that day?
  • before
  • after
  • by the time
  • already
  • never
  • when

Voorbeelden:

  • By the time we arrived, the train had left.
  • She had already eaten when we got home.

Sommige werkwoorden vormen het voltooid deelwoord (past participle) niet met -ed. Deze onregelmatige vormen moet je uit je hoofd kennen.

Voorbeelden:

  • go → gone
  • see → seen
  • eat → eaten
  • write → written
  • break → broken

Bevestigende zinnen

Vragende zinnen

Ontkennende zinnen

Geef een reactie