De past perfect gebruik je om aan te geven dat iets eerder gebeurde dan een ander moment in het verleden. Je hebt dus twee momenten in het verleden:
- het eerste moment → past perfect
- het tweede moment → past simple
Het maakt niet uit welke van de twee gebeurtenissen je eerst noemt, omdat de Past Perfect altijd duidelijk aangeeft welke gebeurtenis het vroegst plaatsvond.
Hoe vorm je de Past Perfect?
had + past participle (=voltooid deelwoord)
Voorbeelden:
- She had cleaned the kitchen when her parents arrived.
- We had watched the movie before we went to bed.
Ontkennende vorm
had not / hadn’t + past participle (=voltooid deelwoord)
Voorbeelden:
- I had not finished my homework when the bell rang.
- She hadn’t seen the email before the meeting.
Vragende vorm
Had + subject + past participle (=voltooid deelwoord) + ?
Voorbeelden:
- Had you finished before they arrived?
- Had she seen him before that day?
Signaalwoorden
- before
- after
- by the time
- already
- never
- when
Voorbeelden:
- By the time we arrived, the train had left.
- She had already eaten when we got home.
Hoe werkt het bij onregelmatige werkwoorden?
Sommige werkwoorden vormen het voltooid deelwoord (past participle) niet met -ed. Deze onregelmatige vormen moet je uit je hoofd kennen.
Voorbeelden:
- go → gone
- see → seen
- eat → eaten
- write → written
- break → broken
Oefeningen
Bevestigende zinnen
Vragende zinnen
Ontkennende zinnen