Wanneer gebruik je de past continuous?
We gebruiken de past continuous om over het verleden te praten in de volgende situaties:
1. Voor iets dat gebeurde voor en na een andere actie
Je gebruikt dit om aan te geven dat een actie al aan de gang was toen er iets anders gebeurde (de onderbreking).
- I was watching Netflix when the pizza arrived. (Ik was Netflix aan het kijken toen de pizza arriveerde.)
2. Voor iets dat gebeurde voor en na een specifiek tijdstip
- It was midnight. We were sleeping. (Het was middernacht. Wij sliepen.)
3. Om te laten zien dat iets een tijdje doorging
- The fire was burning brightly. (Het vuur brandde fel.)
- The fans were cheering loudly. (De fans waren luid aan het juichen.)
4. Voor iets dat steeds opnieuw gebeurde
- He was always losing his keys. (Hij was altijd zijn sleutels kwijt.)
- They were visiting that museum every summer. (Ze bezochten dat museum elke zomer.)
5. Met werkwoorden die verandering of groei aangeven
- The traffic was getting worse. (Het verkeer werd steeds erger.)
- My plants were growing fast. (Mijn planten groeiden snel.)
Let op: Stative Verbs (Toestands-werkwoorden)
We gebruiken de past continuous normaal gesproken niet met werkwoorden die een toestand, gevoel of bezit aangeven (zoals know, want, believe, like, love). Hiervoor gebruiken we de Past Simple.
- When I saw the car, I wanted it. (NIET: I was wanting it).
- She knew the answer. (NIET: She was knowing the answer).
Hoe vorm je de present continuous?
| Soort Zin | Vorm | Voorbeeld |
| Bevestigend | was / were + werkwoord + ing | “He was cooking.” “We were running.” |
| Ontkennend | was / were + NOT + werkwoord + ing | “They were not coming.” “She wasn’t studying.” |
| Vragend | Was / Were + persoon + werkwoord + ing? | “Were you crying?” “Was Sam eating?” |
Oefeningen
Bevestigende zinnen
Ontkennende zinnen
Vragende zinnen