De Plusquamperfekt wordt gebruikt om aan te geven dat iets in het verleden nóg eerder gebeurde dan iets anders in het verleden.
Wanneer gebruik je de Plusquamperfekt?
Je gebruikt de Plusquamperfekt bijna altijd in combinatie met een andere zin die in de verleden tijd (Präteritum of Perfekt) staat. Het is de actie die als allereerste klaar was.
- Voorbeeld: Nachdem ich meine Hausaufgaben gemacht hatte, sah ich fern.
- (Eerst maakte je het huiswerk -> Plusquamperfekt. Daarna keek je tv -> Präteritum).
Hoe maak je de Plusquamperfekt?
Haben of sein in Präterium + Voltooid deelwoord (Partizip II)
Vervoeging met het hulpwerkwoord sein
Je gebruikt sein bij werkwoorden van beweging van A naar B of verandering van toestand.
| Persoon | Vorm van sein | Voltooid deelwoord | Betekenis |
| ich | war | gekommen | ik was gekomen |
| du | warst | gekommen | jij was gekomen |
| er/sie/es | war | gekommen | hij/zij/het was gekomen |
| wir | waren | gekommen | wij waren gekomen |
| ihr | wart | gekommen | jullie waren gekomen |
| sie/Sie | waren | gekommen | zij waren gekomen / u was gekomen |
Vervoeging met het hulpwerkwoord haben
Je gebruikt haben in de andere gevallen.
| Persoon | Vorm van hatten | Voltooid deelwoord (Partizip II) | Betekenis |
| ich | hatte | gelernt | ik had geleerd |
| du | hattest | gelernt | jij had geleerd |
| er/sie/es | hatte | gelernt | hij/zij/het had geleerd |
| wir | hatten | gelernt | wij hadden geleerd |
| ihr | hattet | gelernt | jullie hadden geleerd |
| sie/Sie | hatten | gelernt | zij hadden geleerd / u had geleerd |
Oefeningen
De voltooid verleden tijd (Plusquamperfekt)
Oefening 1
Vul de voltooid verleden tijd in (Plusquamperfekt)
Oefening 2
Vul de voltooid verleden tijd in (Plusquamperfekt)
Oefening 3
Vul de voltooid verleden tijd in (Plusquamperfekt)
Oefening 4
Vul de voltooid verleden tijd in (Plusquamperfekt)
Oefening 5
Vul de voltooid verleden tijd in (Plusquamperfekt)