Wanneer gebruik je de Perfekt?
Je gebruikt de Perfekt in drie situaties:
1. Iets wat in het verleden is gebeurd
In theorie heeft het Duits ook de Präteritum (de onvoltooid verleden tijd, zoals ich spielte), maar in de praktijk gebruiken Duitsers bij het spreken bijna altijd de Perfekt.
- Duits: Sie hat gestern einen Kuchen gebacken.
- Nederlands: Zij heeft gisteren een taart gebakken.
2. Een actie in het verleden die nu nog voortduurt
Als de actie die in het verleden begon, nu nog steeds zo is.
- Duits: Er ist nach Paris gezogen.
- Nederlands: Hij is naar Parijs verhuisd (en hij woont daar nu nog steeds).
3. Iets wat in de toekomst afgerond zal zijn (Futur II-vervanger)
Soms gebruiken Duitsers de Perfekt om te zeggen dat iets in de toekomst klaar is. Je moet er dan wel een tijdstip bij noemen.
- Duits: Bis morgen habe ich die Hausaufgaben fertiggemacht.
- Nederlands: Tegen morgen heb ik het huiswerk afgemaakt.
Hoe maak je de Perfekt?
Je maakt de Perfekt met twee werkwoorden:
Hulpwerkwoord (haben of sein) + Voltooid deelwoord
- Wir haben gestern Musik gehört. (Wij hebben gisteren naar muziek geluisterd.)
- Der Zug ist pünktlich abgefahren. (De trein is op tijd vertrokken.)
Wanneer gebruik je haben en wanneer sein?
sein:
- De werkwoorden: sein (zijn), passieren (gebeuren), bleiben (blijven) en werden (worden).
- Werkwoorden die een beweging van A naar B uitdrukken (en geen lijdend voorwerp hebben), zoals: rennen (rennen), springen (springen), gehen (gaan), kommen (komen).
- Werkwoorden die een verandering van toestand aangeven, zoals: aufwachen (wakker worden) of sterben (sterven).
haben:
- In alle andere gevallen.
Let op: Sommige werkwoorden kunnen met allebei, afhankelijk van de zin. Bijvoorbeeld fahren (rijden) of reiten (paardrijden).
- Wir sind nach München gefahren. (Beweging van A naar B -> sein)
- Er hat das neue Auto gefahren. (Je bestuurt de auto zelf, er is een lijdend voorwerp -> haben)
Oefeningen
De voltooid tegenwoordige tijd (Perfekt)
Oefening 1
Vul de voltooid tegenwoordige tijd in (Perfekt)
Oefening 2
Vul de voltooid tegenwoordige tijd in (Perfekt)
Oefening 3
Vul de voltooid tegenwoordige tijd in (Perfekt)
Oefening 4
Vul de voltooid tegenwoordige tijd in (Perfekt)
Oefening 5
Vul de voltooid tegenwoordige tijd in (Perfekt)