De persoonsvorm is het werkwoord in de zin dat verandert als je de tijd of het onderwerp verandert.
In de verleden tijd geeft de persoonsvorm aan dat iets al is gebeurd.
Hoe maak je de verleden tijd van een werkwoord?
Er zijn twee soorten werkwoorden:
1. Regelmatige werkwoorden
Gebruik het ’t ex-kofschip:
- Kijk naar de laatste letter van de stam.
- Staat de letter in ’t ex-kofschip, dan komt er in de verleden tijd -te(n) achter.
- Anders gebruik je -de(n).
Voorbeelden:
- werken → stam = werk → k zit in ’t ex-kofschip → werkte(n)
- leven → stam = lev → v niet in ’t ex-kofschip → leefde(n)
2. Onregelmatige werkwoorden
Die moet je uit je hoofd leren.
Bijv. zijn → was/waren, hebben → had/hadden, gaan → ging/gingen, zien → zag/zagen.
Voorbeelden met ’t ex-kofschip
| Nr | Tegenwoordige tijd | Stam | Laatste letter stam | In ’t ex-kofschip? | Uitleg | PVVT |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1 | Ik werk. | werk | k | ja | k staat in ’t ex-kofschip → -te | Ik werkte. |
| 3 | Hij maakt een tekening. | maak | k | ja | k staat in ’t ex-kofschip → -te | Hij maakte een tekening. |
| 4 | Wij spelen buiten. | speel | l | nee | l staat niet in ’t ex-kofschip → -den | Wij speelden buiten. |
| 5 | Ik lach om de grap. | lach | ch | ja | ch staat in ’t ex-kofschip → -te | Ik lachte om de grap. |
| 6 | Jij antwoordt snel. | antwoord | d | nee | d staat niet in ’t ex-kofschip → -de | Jij antwoorde snel. |
| 7 | Hij fietst naar school. | fiets | s | ja | s staat in ’t ex-kofschip → -te | Hij fietste naar school. |
| 8 | Wij bellen oma. | bel | l | nee | l staat niet in ’t ex-kofschip → -den | Wij belden oma. |
| 9 | Ik pak mijn tas. | pak | k | ja | k staat in ’t ex-kofschip → -te | Ik pakte mijn tas. |
| 10 | Jij ademt diep in. | adem | m | nee | m staat niet in ’t ex-kofschip → -de | Jij ademde diep in. |
Voorbeelden met onregelmatige werkwoorden
| Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|
| Ik ben blij. | Ik was blij. |
| Wij hebben veel tijd. | Wij hadden veel tijd. |
| Jij gaat naar school. | Jij ging naar school. |
| Hij doet zijn huiswerk. | Hij deed zijn huiswerk. |
| Wij zien de film. | Wij zagen de film. |
| Ik kom te laat. | Ik kwam te laat. |
| Jij neemt een koekje. | Jij nam een koekje. |
| Wij eten pizza. | Wij aten pizza. |
| Zij denken goed na. | Zij dachten goed na. |
| Ik lees een boek. | Ik las een boek. |
Oefeningen
Regelmatige werkwoorden
Onregelmatige werkwoorden
Gemixt