BETA Versie: We doen ons uiterste best om deze site foutloos te houden, maar er kan een foutje in sluipen. Zie je iets? Laat het ons weten in een reactie onderaan de pagina. Alvast bedankt!

De stam

De stam is de basisvorm van een werkwoord. Je gebruikt de stam bij veel vormen van de werkwoordspelling, zoals in de tegenwoordige tijd of in gebiedende zinnen.

Je vindt de stam door de hele infinitief (het hele werkwoord) te nemen en -en eraf te halen. Wat je overhoudt, is meestal de stam.

Voorbeelden:

  • lopen → loop
  • werken → werk
  • fietsen → fiets
  • maken → maak

In het Nederlands schrijven we aan het eind van een woord geen z of v, maar s of f.
Daarom verandert de letter als je de stam opschrijft.

Voorbeelden:

  • reizen → reis
  • lezen → lees
  • schrijven → schrijf
  • drijven → drijf

Let ook op de uitspraak zelf:

  • lopen → loop (dus niet lop)
  • rennen → ren (dus niet renn)
  • zitten → zit (dus niet zitt)
  • bakken → bak (dus niet bakk)
Hele werkwoordStam
lopenloop
makenmaak
vindenvind
reizenreis
schrijvenschrijf

Vul de stam in: