De stam is de basisvorm van een werkwoord. Je gebruikt de stam bij veel vormen van de werkwoordspelling, zoals in de tegenwoordige tijd of in gebiedende zinnen.
Hoe vind je de stam?
Je vindt de stam door de hele infinitief (het hele werkwoord) te nemen en -en eraf te halen. Wat je overhoudt, is meestal de stam.
Voorbeelden:
- lopen → loop
- werken → werk
- fietsen → fiets
- maken → maak
Let op bij -z of -v
In het Nederlands schrijven we aan het eind van een woord geen z of v, maar s of f.
Daarom verandert de letter als je de stam opschrijft.
Voorbeelden:
- reizen → reis
- lezen → lees
- schrijven → schrijf
- drijven → drijf
Andere uitzonderingen
Let ook op de uitspraak zelf:
- lopen → loop (dus niet lop)
- rennen → ren (dus niet renn)
- zitten → zit (dus niet zitt)
- bakken → bak (dus niet bakk)
Voorbeelden
| Hele werkwoord | Stam |
|---|---|
| lopen | loop |
| maken | maak |
| vinden | vind |
| reizen | reis |
| schrijven | schrijf |
Oefeningen
Vul de stam in: