Het werkwoordelijk gezegde (afgekort: wwg) bestaat uit alle werkwoorden in de zin.
Voorbeelden:
- Ik wil straks een boek lezen.
- Werkwoordelijk gezegde: wil lezen.
- Ik ga vanavond naar de supermarkt lopen.
- Werkwoordelijk gezegde: ga lopen.
Een werkwoordelijk gezegde kan uit één werkwoord bestaan, maar vaak zijn het er twee of meer.
Let ook op de onderstaande kanttekeningen bij het vinden van het werkwoordelijk gezegde.
Te of aan het
Als een werkwoord samen met te of aan het wordt gebruikt, horen die woorden bij het werkwoordelijk gezegde.
Voorbeelden:
- Wij stonden te lachen.
- Werkwoordelijk gezegde: stonden te lachen
- Hij was aan het klussen in de schuur.
- Werkwoordelijk gezegde: was aan het klussen
Wederkerende voornaamwoorden
In een zin met een verplicht wederkerend werkwoord, hoort het wederkerend voornaamwoord bij het werkwoordelijk gezegde. Je kunt het voornaamwoord dan niet weglaten.
Bij een niet-verplicht (toevallig) wederkerend werkwoord, maakt het wederkerend voornaamwoord géén deel uit van het werkwoordelijk gezegde, omdat je het wel kunt weglaten. In dat geval is het voornaamwoord vaak het lijdend voorwerp.
Voorbeeld met verplicht wederkerend werkwoord:
- Jij vergist je vaak.
- Werkwoordelijk gezegde: vergist je (je kunt ‘je‘ niet weglaten)
Voorbeeld met niet-verplicht wederkerend werkwoord:
- Hij scheert zich met zeep.
- Werkwoordelijk gezegde: scheert (‘zich’ is een lijdend voorwerp – je kunt ook zeggen: Hij scheert de hond met zeep)
lees meer op onzetaal.nl
Werkwoordelijke uitdrukkingen
Een werkwoordelijke uitdrukking hoort ook bij het werkwoordelijk gezegde. Je kunt de hele uitdrukking vaak vervangen door een werkwoord met ongeveer dezelfde betekenis. Zie het voorbeeld hieronder.
Voorbeeld:
- Tijdens het examen raakte hij de draad kwijt.
- Werkwoordelijk gezegde: raakte de draad kwijt
- (Betekenis: hij wist niet meer wat hij moest doen)
Gesplitste werkwoorden
Sommige werkwoorden worden gesplitst in een zin. Ook dan horen beide delen bij het werkwoordelijk gezegde.
Voorbeeld:
- Lees de tekst goed door.
- Werkwoordelijk gezegde: lees door
- (Het hele werkwoord is doorlezen)
Oefeningen
- Oefening 1 – Klik het werkwoordelijk gezegde aan in de zin
- Oefening 2 – Klik het werkwoordelijk gezegde aan in de zin
- Oefening 3 – Klik het werkwoordelijk gezegde aan in de zin
- Oefening 4 – Klik het werkwoordelijk gezegde aan in de zin
- Oefening 5 – Klik het werkwoordelijk gezegde aan in de zin