BETA Versie: We doen ons uiterste best om deze site foutloos te houden, maar er kan een foutje in sluipen. Zie je iets? Laat het ons weten in een reactie onderaan de pagina. Alvast bedankt!

De Persoonsvorm (pv)

De persoonsvorm (afgekort als pv) is het werkwoord in de zin dat:

  • kan veranderen van tijd (tegenwoordige tijd ↔ verleden tijd)
  • meeverandert met het onderwerp (ik loop → hij loopt)

Er zijn drie manieren om de persoonsvorm te vinden:

1. Tijdproef

  • Zet de zin in een andere tijd (verleden of tegenwoordige tijd).
  • Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm.

Voorbeeld:

  • Nu: Wij eten pizza.
  • Toen: Wij aten pizza.
    eten/aten is de persoonsvorm.

2. Vraagproef

  • Maak van de zin een ja/nee-vraag.
  • Het eerste woord van de vraag is de persoonsvorm.

Voorbeeld:

  • Zin: Jullie gaan naar school.
  • Vraag: Gaan jullie naar school?
    gaan is de persoonsvorm.

3. Getalproef

  • Verander het onderwerp van enkelvoud naar meervoud (of omgekeerd).
  • Het werkwoord dat meeverandert, is de persoonsvorm.

Voorbeeld:

  • Enkelvoud: Hij loopt snel.
  • Meervoud: Zij lopen snel.
    loopt/lopen is de persoonsvorm.
  • Een enkelvoudige zin bevat maar één persoonsvorm en heeft dus maar één hoofdzin.
  • Zodra er twee of meer persoonsvormen in een zin staan, spreek je van een samengestelde zin (meerdere hoofdzinnen of een hoofdzin + bijzin).

Voorbeeld:
Ik denk dat hij morgen komt.

  • denk (hoofdzin) en komt (bijzin) zijn beide persoonsvormen.
  • Zij werken in de winkel.werken is de persoonsvorm
  • Gisteren regende het hard.regende is de persoonsvorm
  • Kijk! Daar loopt een kat.loopt is de persoonsvorm

Enkelvoudige zinnen

Samengestelde zinnen