BETA Versie: We doen ons uiterste best om deze site foutloos te houden, maar er kan een foutje in sluipen. Zie je iets? Laat het ons weten in een reactie onderaan de pagina. Alvast bedankt!

Meewerkend voorwerp (mv)

Het meewerkend voorwerp geeft aan aan wie of voor wie iets gebeurt in de zin.
Vaak is het de persoon die iets krijgt of voor wie iets gedaan wordt.

Je stelt de vraag:

Aan wie / voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?

Voorbeeld:

  • Ik geef mijn broer een cadeau.
    • Onderwerp = ik (wie geeft?)
    • Gezegde = geef
    • Lijdend voorwerp = een cadeau (wat geef ik?)
    • Vraag: Aan wie geef ik een cadeau?
    • Antwoord: mijn broer → dat is het meewerkend voorwerp.
  1. De juf vertelt de leerlingen een verhaal.
    → Aan wie vertelt de juf een verhaal? → de leerlingen = meewerkend voorwerp
  2. Ik stuur mijn vriendin een kaart.
    → Aan wie stuur ik een kaart? → mijn vriendin = meewerkend voorwerp
  3. Hij leent zijn buurman een ladder.
    → Aan wie leent hij een ladder? → zijn buurman = meewerkend voorwerp
  4. Wij geven onze ouders een cadeau.
    → Aan wie geven wij een cadeau? → onze ouders = meewerkend voorwerp
  • Het meewerkend voorwerp is meestal een persoon of groep.
  • Vaak kun je er “aan” of “voor” vóór zetten:
    • Ik schrijf (aan) mijn oma een brief.
  • Een zin hoeft niet altijd een meewerkend voorwerp te hebben.
    • Ik koop een boek. → hier is alleen een lijdend voorwerp, geen meewerkend.

Klik het meewerkend voorwerp aan in de zin

Vul het lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp in