Voorbeelden van werkwoorden
- lopen
- eten
- slapen
- denken
- regenen
- zijn
- worden
Soorten werkwoorden
- In een zin met meerdere werkwoorden is maar één werkwoord het hoofdwerkwoord.
- Dat hoofdwerkwoord kan een zelfstandig werkwoord of een koppelwerkwoord zijn.
- Alle andere werkwoorden in de zin zijn hulpwerkwoorden.
1. Hoofdwerkwoorden
Het hoofdwerkwoord is onmisbaar in een zin. Als het wordt weggelaten uit de zin, klopt de zin niet meer.
Er zijn twee soorten hoofdwerkwoorden: zelfstandige werkwoorden en koppelwerkwoorden.
a) Zelfstandige werkwoorden
Dit zijn werkwoorden die op zichzelf een gezegde kunnen vormen. Ze hebben een duidelijke betekenis, zoals lopen, lezen, eten, werken.
Voorbeeld:
- Hij leest een boek.
- Wij dans(t)en samen.
Zelfstandige werkwoorden kunnen dus zonder hulpwerkwoorden een zin compleet maken.
b) Koppelwerkwoorden
Koppelwerkwoorden koppelen het onderwerp van de zin aan een eigenschap of toestand.
Koppelwerkwoorden komen voor in zinnen met een naamwoordelijk gezegde.
De koppelwerkwoorden zijn:
- zijn
- worden
- blijven
- blijken
- lijken
- schijnen
- heten
- dunken
- voorkomen
Voorbeelden:
- Hij is ziek. (zijn)
- Zij wordt leraar. (worden)
- De jongen blijft vervelend. (blijven)
In deze zinnen vertellen de koppelwerkwoorden iets over het onderwerp, maar niet als zelfstandige handeling.
2. Hulpwerkwoorden
Andere werkwoorden in een zin naast het hoofdwerkwoord zijn hulpwerkwoorden. Let op, een zin kan ook geen hulpwerkwoorden hebben!
Het hoofdwerkwoord kan niet weggelaten worden in een zin, maar de hulpwerkwoorden wel.
Voorbeeld:
- De jongens hebben heel de avond gepraat.
- gepraat kun je in de zin niet weglaten. Want dan kun je niet meer begrijpen wat de jongens gedaan hebben. Dus dat is het hoofdwerkwoord. In dit geval een zelfstandig werkwoord.
- Het hulpwerkwoord is hebben want dat kun je weglaten. Je kan dan nog steeds begrijpen waar de zin over gaat.
Oefeningen
Hulpwerkwoord, koppelwerkwoord of zelfstandig werkwoord?