Vervoegen van de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd
| Onderwerp | Vorm | Voorbeeld (werken) |
|---|---|---|
| ik | stam | ik werk |
| jij / hij / zij / het / u | stam + t | jij werkt |
| wij / jullie / zij | hele werkwoord | wij werken |
Voorbeelden van vervoegingen (pvtt)
Voorbeeld 1 – lezen
- Ik lees een spannend boek.
- Jij/zij/hij/het/u leest een spannend boek.
- Wij/jullie/zij lezen een spannend boek.
Voorbeeld 2 – maken
- Ik maak mijn huiswerk.
- Jij/zij/hij/het/u maakt het huiswerk.
- Wij/jullie/zij maken het huiswerk.
Voorbeeld 3 – vinden
- Ik vind het een goed idee.
- Jij/zij/hij/het/u vindt het een goed idee.
- Wij/jullie/zij vinden het een goed idee.
Wanneer schrijf je een d of dt?
Soms twijfel je of een werkwoord eindigt op d of dt.
Gebruik dan deze regels om het goed te schrijven:
Je schrijft dt aan het eind van een werkwoord als aan al deze voorwaarden wordt voldaan:
- De stam eindigt op een d (zoals bij worden → word).
- Het werkwoord een persoonsvorm is.
- Het in de tegenwoordige tijd staat. (In de verleden tijd schrijf je nooit dt.)
- Het hoort bij jij / hij / zij / het / u.
Voorbeelden d of dt
| Onderwerp | Voorbeeld (worden) |
|---|---|
| ik | ik word morgen wakker |
| jij | jij wordt morgen wakker |
| hij | hij wordt morgen wakker |
| zij | zij wordt morgen wakker |
| het | het wordt morgen druk |
| u | u wordt geholpen |
| wij | wij worden vrolijk |
| jullie | jullie worden verwacht |
| zij | zij worden boos |
Oefeningen
Vul de pvtt in:
d of dt?