Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord. Bijvoorbeeld hoe iets eruitziet, wat je ervan vindt of welke eigenschap het heeft.
Voorbeelden:
- de rode fiets
- een grote boom
- dat leuke feestje
Kenmerken van een bijvoeglijk naamwoord
Een bijvoeglijk naamwoord staat meestal vóór een zelfstandig naamwoord, maar soms vind je het ook erna.
Voorbeelden:
- De film was spannend.
- Het huis is oud.
- De soep smaakte heerlijk.
De woorden spannend, oud en heerlijk geven allemaal een eigenschap van het zelfstandig naamwoord weer. Ook al komen ze pas later in de zin, het blijven toch bijvoeglijke naamwoorden.
Heel af en toe zie je een zin waarin er zowel vóór als achter het zelfstandig naamwoord een bijvoeglijk naamwoord staat.
Voorbeeld:
- De drukke straat was gevaarlijk.
- De kleine hond was ondeugend.
- De vriendelijke leraar is lief.
In dit geval zeggen zowel strenge als boos iets over juf. Dat betekent dat beide woorden bijvoeglijke naamwoorden zijn.
Er bestaat ook een speciale groep: de stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden. Die beschrijven van welk materiaal iets gemaakt is.
Voorbeeld:
- de houten stoel
- een zilveren ketting
- de leren bank
Hier zegt katoenen iets over de stof van de broek.
Een bijvoeglijk naamwoord verandert vaak mee met het lidwoord of het zelfstandig naamwoord.
Voorbeelden:
- een mooi huis → het mooie huis
- een grote boom → de grote boom
Oefeningen
Klik het bijvoeglijk naamwoord aan in de zin (korte zinnen)
Klik het bijvoeglijk naamwoord aan in de zin (lange zinnen)
Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden