Wat is de Present Simple?
De present simple (ook wel simple present genoemd) is de Engelse tegenwoordige tijd die je gebruikt om vaste gewoontes, feiten of regelmatige handelingen te beschrijven.
In het Nederlands komt dit meestal overeen met de onvoltooid tegenwoordige tijd (bijv. “ik werk”, “jij woont”).
Wanneer gebruik je de Present Simple?
De present simple gebruik je in verschillende situaties. Hieronder zie je de belangrijkste:
| Situatie | Voorbeeld |
|---|---|
| Feiten of algemene waarheden | Water boils at 100 degrees Celsius. Birds have feathers. |
| Gewoontes of routines | Sarah drinks coffee every morning. I brush my teeth twice a day. |
| Regelmatige gebeurtenissen | Every Friday we watch a movie. He visits his grandparents every weekend. |
| Vaste afspraken of geplande tijden | The train departs at 9:15 AM. My English class starts at noon. |
| Staten of gevoelens (geen actie) | I know the answer. She loves her dog. |
Signaalwoorden bij de Present Simple
Zinnen in de present simple herken je vaak aan signaalwoorden:
- always, never, often, usually, sometimes, rarely
- every day, every week, every month, on Sundays
- normally, generally, occasionally, frequently
Hoe maak je de Present Simple?
De present simple is eenvoudig te vormen.
De stam van het werkwoord blijft hetzelfde, behalve bij he / she / it – daar komt er -s achter.
Voorbeeld met to talk (praten):
| Enkelvoud | |
|---|---|
| I talk | Ik praat |
| You talk | Jij praat |
| He / She / It talks | Hij / Zij / Het praat |
| Meervoud | |
| We talk | Wij praten |
| You talk | Jullie praten |
| They talk | Zij praten |
Regel: bij he, she, it gebruik je altijd -s.
Dit wordt ook wel de SHIT-regel genoemd (She, He, It → +s).
Onregelmatige werkwoorden in de Present Simple
Sommige werkwoorden volgen niet de gewone regel. De belangrijkste zijn to be (zijn) en to have (hebben).
To be
| Enkelvoud | |
|---|---|
| I am | Ik ben |
| You are | Jij bent |
| He / She / It is | Hij / Zij / Het is |
| Meervoud | |
| We are | Wij zijn |
| You are | Jullie zijn |
| They are | Zij zijn |
To have
| Enkelvoud | |
|---|---|
| I have | Ik heb |
| You have | Jij hebt |
| He / She / It has | Hij / Zij / Het heeft |
| Meervoud | |
| We have | Wij hebben |
| You have | Jullie hebben |
| They have | Zij hebben |
Vragen en ontkenningen
Om een vraag of een negatieve zin te maken in de present simple, gebruik je do of does.
| Soort | Voorbeeld |
|---|---|
| Vragend | Do you play football? Does she like apples? |
| Bevestigend | Yes, I play football. Yes, she likes apples. |
| Ontkennend | No, I don’t play football. No, she doesn’t like apples. |
Let op: in vragende en ontkennende zinnen gebruik je het werkwoord zonder -s, omdat die -s al in does zit.
Uitzonderingen en speciale regels
1. Werkwoorden die eindigen op -y
Als het werkwoord eindigt op een medeklinker + y, verandert de y in -ies bij he/she/it.
| I study | He studies |
| I carry | She carries |
Maar als er een klinker vóór de y staat, blijft het gewoon -s:
| I play | He plays |
| I enjoy | She enjoys |
2. Werkwoorden die eindigen op -o, -sh, -ch, -x of -ss
Deze krijgen -es in plaats van alleen -s.
| I go | He goes |
| I wash | She washes |
| I fix | It fixes |
3. Modale werkwoorden (zoals can)
Modale werkwoorden (zoals can, must, may) krijgen geen -s bij he/she/it.
| I can swim | Ik kan zwemmen |
| You can swim | Jij kan zwemmen |
| He can swim | Hij kan zwemmen |
Oefeningen
Bevestigende zinnen
Ontkennende zinnen
Vragende zinnen