BETA Versie: We doen ons uiterste best om deze site foutloos te houden, maar er kan een foutje in sluipen. Zie je iets? Laat het ons weten in een reactie onderaan de pagina. Alvast bedankt!

Present Simple

De present simple (ook wel simple present genoemd) is de Engelse tegenwoordige tijd die je gebruikt om vaste gewoontes, feiten of regelmatige handelingen te beschrijven.
In het Nederlands komt dit meestal overeen met de onvoltooid tegenwoordige tijd (bijv. “ik werk”, “jij woont”).

De present simple gebruik je in verschillende situaties. Hieronder zie je de belangrijkste:

SituatieVoorbeeld
Feiten of algemene waarhedenWater boils at 100 degrees Celsius.
Birds have feathers.
Gewoontes of routinesSarah drinks coffee every morning.
I brush my teeth twice a day.
Regelmatige gebeurtenissenEvery Friday we watch a movie.
He visits his grandparents every weekend.
Vaste afspraken of geplande tijdenThe train departs at 9:15 AM.
My English class starts at noon.
Staten of gevoelens (geen actie)I know the answer.
She loves her dog.

Zinnen in de present simple herken je vaak aan signaalwoorden:

  • always, never, often, usually, sometimes, rarely
  • every day, every week, every month, on Sundays
  • normally, generally, occasionally, frequently

De present simple is eenvoudig te vormen.
De stam van het werkwoord blijft hetzelfde, behalve bij he / she / it – daar komt er -s achter.

Voorbeeld met to talk (praten):

Enkelvoud
I talkIk praat
You talkJij praat
He / She / It talksHij / Zij / Het praat
Meervoud
We talkWij praten
You talkJullie praten
They talkZij praten

Regel: bij he, she, it gebruik je altijd -s.
Dit wordt ook wel de SHIT-regel genoemd (She, He, It → +s).

Sommige werkwoorden volgen niet de gewone regel. De belangrijkste zijn to be (zijn) en to have (hebben).

To be

Enkelvoud
I amIk ben
You areJij bent
He / She / It isHij / Zij / Het is
Meervoud
We areWij zijn
You areJullie zijn
They areZij zijn

To have

Enkelvoud
I haveIk heb
You haveJij hebt
He / She / It hasHij / Zij / Het heeft
Meervoud
We haveWij hebben
You haveJullie hebben
They haveZij hebben

Om een vraag of een negatieve zin te maken in de present simple, gebruik je do of does.

SoortVoorbeeld
VragendDo you play football?
Does she like apples?
BevestigendYes, I play football.
Yes, she likes apples.
OntkennendNo, I don’t play football.
No, she doesn’t like apples.

Let op: in vragende en ontkennende zinnen gebruik je het werkwoord zonder -s, omdat die -s al in does zit.

1. Werkwoorden die eindigen op -y

Als het werkwoord eindigt op een medeklinker + y, verandert de y in -ies bij he/she/it.

I studyHe studies
I carryShe carries

Maar als er een klinker vóór de y staat, blijft het gewoon -s:

I playHe plays
I enjoyShe enjoys

2. Werkwoorden die eindigen op -o, -sh, -ch, -x of -ss

Deze krijgen -es in plaats van alleen -s.

I goHe goes
I washShe washes
I fixIt fixes

3. Modale werkwoorden (zoals can)

Modale werkwoorden (zoals can, must, may) krijgen geen -s bij he/she/it.

I can swimIk kan zwemmen
You can swimJij kan zwemmen
He can swimHij kan zwemmen

Bevestigende zinnen

Ontkennende zinnen

Vragende zinnen