Wanneer gebruik je de Präteritum?
In het Duits kies je voor het verleden meestal tussen de Perfekt (met haben/sein) of de Präteritum. Je gebruikt de Präteritum in de volgende drie gevallen:
Bij hulpwerkwoorden en modale werkwoorden
- Hulpwerkwoorden: sein (waren), haben (haben) en werden (worden).
- Modale werkwoorden: zoals können (kunnen), müssen (moeten), wollen (willen), etc.
- Voorbeeld: Ich war gestern müde. (Ik was gisteren moe).
In geschreven taal
In boeken, romans, sprookjes en krantenartikelen is de Präteritum vaak de standaard verleden tijd.
Regionaal verschil (Noord-Duitsland)
In het noorden van Duitsland zul je de Präteritum ook tijdens het praten iets vaker horen dan in het zuiden van Duitsland.
Regelmatige werkwoorden (Zwakke werkwoorden)
Voorbeeld met het werkwoord fragen (vragen):
| Uitgang | Duits voorbeeld | Betekenis | |
| ich | -te | ich fragte | ik vroeg |
| du | -test | du fragtest | jij vroeg |
| er/sie/es | -te | er fragte | hij/zij/het vroeg |
| wir | -ten | wir fragten | wij vroegen |
| ihr | -tet | ihr fragtet | jullie vroegen |
| sie/Sie | -ten | sie fragten | zij vroegen / u vroeg |
Extra -e
Eindigt de stam van het werkwoord op een -d of -t (zoals antworten) of op een medeklinker + -n/-m (zoals atmen)? Dan plakken we er voor het gemak een extra -e- tussen om het uitpreekbaar te maken.
Laten we kijken naar het werkwoord antworten (antwoorden).
| Persoon | Uitgang | Duits voorbeeld | Betekenis |
| ich | -e-te | ich antwortete | ik antwoordde |
| du | -e-test | du antwortetest | jij antwoordde |
| er/sie/es | -e-te | sie antwortete | zij antwoordde |
| wir | -e-ten | wir antworteten | wij antwoordden |
| ihr | -e-tet | ihr antwortetet | jullie antwoordden |
| sie/Sie | -e-ten | sie antworteten | u antwoordde / zij antwoordden |
Onregelmatige werkwoorden (Sterke werkwoorden)
Laten we kijken naar het werkwoord schreiben (schrijven).
| Persoon | Uitgang | Duits voorbeeld | Betekenis |
| ich | ich schrieb | ik schreef | |
| du | -st | du schriebst | jij schreef |
| er/sie/es | er schrieb | hij schreef | |
| wir | -en | wir schrieben | wij schreven |
| ihr | -t | ihr schriebt | jullie schreven |
| sie/Sie | -en | sie schrieben | u schreef / zij schreven |
Oefeningen
De onvoltooid verleden tijd (Präteritum)
Oefening 1
Vul de onvoltooid verleden tijd in (Präteritum)
Oefening 2
Vul de onvoltooid verleden tijd in (Präteritum)
Oefening 3
Vul de onvoltooid verleden tijd in (Präteritum)
Oefening 4
Vul de onvoltooid verleden tijd in (Präteritum)
Oefening 5
Vul de onvoltooid verleden tijd in (Präteritum)