Wanneer gebruik je de Präsens?
- Het gebeurt nu: Situaties die zich precies op dit moment afspelen.
- Ich lese gerade diesen Text. (Ik lees nu deze tekst.)
- Vaste feiten of toestanden: Dingen die gewoon algemeen waar zijn.
- Die Erde dreht sich um die Sonne. (De aarde draait om de zon.)
- Dingen die al langer duren: Situaties die in het verleden zijn begonnen, maar nu nog steeds bezig zijn. Let hierbij op het Duitse woordje seit (sinds/al).
- Ich spiele seit 8 Jahren Violine. (Ik speel al 8 jaar viool.)
- Gewoontes en herhalingen: Handelingen die regelmatig terugkomen (vaak met woordjes als jeden of immer).
- Jeden Freitag gehe ich zum Tanztraining. (Ik ga elke vrijdag naar dansles.)
- Plannen in de toekomst: Iets wat al vaststaat voor later.
- Morgen gehe ich an den Strand. (Morgen ga ik naar het strand.)
Hoe maak je de Präsens? (De basis)
- Neem het hele werkwoord (de infinitief): bijvoorbeeld spielen of kommen.
- Maak de stam: Haal de letters -en van het einde af.
- spielen -> stam = spiel-
- kommen -> stam = komm-
- Plak de uitgang erachter: Welke uitgang je gebruikt, hangt af van de persoon:
| Persoon | Uitgang | Voorbeeld (kommen) | Vertaling |
| ich (ik) | -e | ich komme | ik kom |
| du (jij) | -st | du kommst | jij komt |
| er / sie / es (hij/zij/het) | -t | er kommt | hij komt |
| wir (wij) | -en | wir kommen | wij komen |
| ihr (jullie) | -t | ihr kommt | jullie komen |
| sie / Sie (zij meervoud / U) | -en | sie kommen | zij komen / U komt |
Om de volgorde van de uitgangen nooit meer te vergeten, onthoud je het woord (fe)ESTTENTEN.
Onregelmatige (sterke) werkwoorden & Hulpwerkwoorden
In het Duits zijn er werkwoorden waarbij de stam verandert. Dit noemen we sterke of onregelmatige werkwoorden. De allerbelangrijkste groep hiervan zijn de drie hulpwerkwoorden: sein (zijn), haben (hebben) en werden (worden/zullen).
Omdat je deze constant gebruikt, moet je ze simpelweg uit je hoofd leren. Let op hoe ze veranderen:
| Persoon | sein | haben | werden |
| ich | bin | habe | werde |
| du | bist | hast | wirst (d verdwijnt!) |
| er / sie / es | ist | hat | wird (geen extra -t) |
| wir | sind | haben | werden |
| ihr | seid | habt | werdet (extra -e-) |
| sie / Sie | sind | haben | werden |
Meer sterke werkwoorden
Naast deze drie hulpwerkwoorden zijn er nog veel meer sterke werkwoorden. Geen paniek, je hoeft ze niet allemaal los te leren! Ze veranderen namelijk bijna allemaal volgens een vast patroon, en altijd alleen bij du en er/sie/es. De andere personen (ich, wir, ihr, sie) blijven gewoon regelmatig.
Dit zijn de drie smaken die je het meest gaat tegenkomen:
- Van E naar I
De ‘e’ in de stam verandert in een ‘i’. - Van E naar IE
De ‘e’ krijgt een langere klank en wordt ‘ie’.- lesen (lezen): ich lese -> du liest, er liest
- sehen (zien): ich sehe -> du siehst, er sieht
- Van A naar Ä (Umlaut)
De ‘a’ krijgt opeens twee puntjes en verandert van klank.- fahren (rijden): ich fahre -> du fährst, er fährt
- schlafen (slapen): ich schlafe -> du schläfst, er schläft
- laufen (lopen/rennen): ich laufe -> du läufst, er läuft (au wordt äu)